Nederlandse naam:

Edelhert

Engelse naam:

Red deer

Wetenschappelijke naam:

Cervus elaphus

Het edelhert, in jagersjargon roodwild, is een hertensoort die voorkomt in Europa, Azië en Noord-Amerika. De Noord-Amerikaanse ondersoorten, die in de Verenigde Staten wapiti en in Canada elk (niet te verwarren met het Britse elk dat een eland is) worden genoemd, worden soms als een aparte soort, Cervus canadensis, beschouwd. Ook Europa en Azië kent enkele ondersoorten. Het edelhert is op de eland na het grootste hert.

Het edelhert komt in Nederland voor op de Veluwe, de Oostvaardersplassen en sinds 2005 in het Weerterbos. Af en toe wordt er een edelhert op de Utrechtse Heuvelrug gesignaleerd, alsmede aan de grens met Duitsland van aldaar toegelopen dieren.

In het wild levende edelherten zijn in België relatief zeldzaam. In Vlaanderen komen ze voor in de regio Voeren, op het Kempens Plateau en in het Belgisch-Nederlandse grenspark Kempen-Broek. In Wallonië is hun verspreiding beperkt tot het zuidelijke en westelijke deel van de Ardennen.



Kenemrken

In de zomer zijn de dieren roodbruin van kleur, in de winter grijsachtig bruin. De buikzijde is wit en het staartstuk is roomkleurig. De rui begint eerst bij de kop, de poten en het voorlijf. In september begint de zomervacht plaats te maken voor de wintervacht, en in december is deze volledig vervangen. De zomervacht komt weer terug in mei, en is in juli of augustus compleet.

De gemiddelde lichaamsgrootte van een edelhertenpopulatie wordt beïnvloed door meerdere factoren. Edelherten uit bosgebieden zijn kleiner dan die uit meer open gebieden, en de lichaamsgrootte neemt toe van het westen naar het oosten. Ook zijn mannetjes groter dan vrouwtjes. De kop-romplengte ligt tussen de 165 en de 260 centimeter, de schouderhoogte tussen de 114 en de 140 centimeter. De staart is zonder het haar meegerekend tussen de twaalf en de vijftien centimeter lang, met haar ongeveer twintig centimeter. Mannetjes worden tot 255 kilogram zwaar, vrouwtjes tot 150 kilogram.

Gewei
Enkel het mannetje draagt een gewei dat gemiddeld zo'n 70 centimeter lang en een kilogram zwaar is, maar kan uitgroeien tot meer dan 90 centimeter. Het gewicht kan variëren van vier tot tien kilogram.[2] Aan het gewei kan men enigszins de leeftijd aflezen. Een jong edelhert heeft gewoonlijk een kleiner gewei met weinig vertakkingen, maar een hert in zijn laatste levensfase zal ook weer een kleiner gewei met minder takken krijgen. Een gezond dier heeft een forser en zwaarder gewei, maar niet per se meer enden dan een ziekelijk dier. Er is een duidelijk verband tussen de kwaliteit van het leefgebied en de grootte van de hertengeweien. In de zeventiende eeuw waren de geweien fors, en vanaf de Renaissance zijn in Duitsland geweien met 24 en meer enden geconserveerd; een daarvan weegt bijna 20 kilogram.[3] Er is zelfs sprake van een 66-ender, maar dit is een curiosum waarmee iets mis is. Vanaf de 17e eeuw eisten bevolkingsdruk, jacht en aanplant van naaldbomen hun tol. Na eeuwenlange verschraling kregen de Veluwse edelherten na de tweede wereldoorlog weer forsere geweien. Door aanleg van loofbos en wildakkers en het bevorderen van ondergroei verbeterden toen hun leefomstandigheden weer.

Het gewei wordt elk jaar afgeworpen onder invloed van geslachtshormonen. Oudere herten doen dat gedurende de laatste wintermaanden, jonge dieren meestal in maart of april. Daarna groeit meteen het nieuwe gewei dat gemiddeld in juli voltooid is. In augustus begint de basthuid te jeuken en verwijderen de mannetjes die door het gewei langs takken en boomstammen te schuren. In de nazomer ziet de wandelaar dan ook vaak lappen huid aan de takken hangen. Informatie en terminologie over hertengeweien vindt u in het artikel Gewei.

Leefgebied

Edelherten zijn zeer tolerant ten aanzien van verschillende habitats en komen in een grote diversiteit aan gebieden voor. Van drogere loofbossen en heidevelden tot zeer vochtige milieus als venen en moerassen worden bewoond. In hooglanden (bijvoorbeeld de Schotse Hooglanden) en in berggebieden als de bergen van Noorwegen, de Karpaten en de Alpen begeven de dieren zich zomers tot boven de boomgrens. 's Winters leven ze meer in het dal. Het edelhert lijkt een voorkeur te hebben voor bosgebieden, die grenzen aan grasgebieden waar het dier zich voedt. In Europa is hun aantal groeiende, met grote populaties in onder andere Duitsland en Spanje.

Het Corsicaans edelhert (Cervus elaphus corsicanus), dat tegenwoordig enkel op Sardinië voorkomt, is ernstig bedreigd.

Het edelhert is door de Engelse kolonisten ingevoerd in Australië (Grampians National Park en Zuidoost-Queensland) en Nieuw-Zeeland.

In Nederland
In Nederland komt het edelhert voor in twee gebieden: op de Veluwe en in de Oostvaardersplassen. Van nature komt het edelhert in Nederland in alle habitats voor: de duinen, het rivierengebied, op de hogere gronden in de bossen en zelfs in de moerassen en de venen, waarmee Nederland oorspronkelijk voor bijna twee derde bedekt was en die nu vrijwel geheel verdwenen zijn.

Het milieu van de Oostvaardersplassen is anders dan dat van de Veluwe. De dieren die in de Oostvaardersplassen zijn geïntroduceerd komen voor een deel van de Veluwe en voor een deel uit Schotland. De verwachting van sommigen is dat edelherten die in een kleimoeras leven zwaarder worden dan de relatief kleine herten op de Veluwe. Maar of dat bewaarheid wordt is onzeker. Want de edelherten en andere daar levende grote zoogdieren worden daar immers niet bejaagd, waarmee de populaties zich aldaar op natuurlijke wijze zullen kunnen aanpassen aan het beschikbare voedsel. Dit mechanisme is overigens de basis van alle ecosystemen, om het even of er wel of geen grote predatoren als wolven voorkomen. Er wordt bovendien vaak ten onrechte gedacht dat dit proces aan schaal gebonden is. Het principe dat de primaire productie, het totaal van in het leefgebied groeiende voor de soort geschikte voedselplanten, bepalend is voor de draagkracht en dus het aantal voorkomende herbivoren, is in beginsel niet anders werkzaam in grote dan in kleinere gebieden.

Er komen buiten de afgesloten terreinen en de zogeheten 'vrije wildbaan' op de Veluwe in Nederland vrijwel geen edelherten (meer) voor. Maar dat is mensenwerk. Oorspronkelijk was heel Nederland bezet met edelherten. De dieren zijn nu teruggedrongen tot de meest voedselarme gebieden. Voorts zijn nagenoeg alle gradiënten naar omliggende andere vegetatietypen als ooibossen, kleigebieden, rivierlopen, enzovoort voor de dieren onbereikbaar gemaakt. Door wegen, rasters en jacht wordt nagenoeg elke poging van herten om verloren gegane gebieden te herbezetten verijdeld. Elk jaar zijn er wel meldingen van op natuurlijke wijze uit Duitsland naar Nederland migrerende edelherten. In alle aan de oostgrens gelegen provincies komt dit regelmatig voor. Deze dieren worden echter niet geduld en derhalve afgeschoten.

De gebieden waar de herten nu in Nederland leven zijn onderling niet meer via ecologische routes bereikbaar. Nieuwe aan te leggen ecologische verbindingen zoals ecoducten en corridors zouden dat in de toekomst moeten verhelpen. Over het opnieuw verbinden van ecologisch gezien geïsoleerd geraakte natuurgebieden is in 2005 op initiatief van Stichting Kritisch Bosbeheer een boekje verschenen genaamd "De Veluweroute". Daarin wordt beschreven dat het heel goed mogelijk is om ook in het huidige Nederland grotere dieren van natuurgebied tot natuurgebied te laten wandelen.

Sinds november 2005 zijn er ook in het Weerterbos op de grens van Limburg en Noord-Brabant edelherten aanwezig, zij het niet in het wild. Het gaat om een groep van 15 uit België afkomstige dieren die daar zijn uitgezet. Deze herten bevinden zich nochtans in een wildraster van 150 hectare. Het is de bedoeling dat de dieren binnen enkele jaren hun vrijheid verkrijgen en mogelijk kunnen uitzwermen over Noord-Brabant en Limburg. Begin oktober 2009 is het wildraster nog niet opengesteld en op dit moment bestaat de groep uit 5 herten en 22 hindes.



© Monica van Randen - All Rights Reserved | Disclaimer